Een tijd geleden werd mijn nieuwsgierigheid gewekt door een artikel in de zaterdagkrant van Het Dagblad van het Oosten. Menno Lanting vertelt daarin over zijn boek en hoe hij ertoe kwam het te schrijven. Zijn overgrootmoeder werd, nadat haar ouders overleden waren, via het weeshuis in Deventer uitbesteed aan een familie in de Achterhoek. Het deed mij realiseren dat mijn overgrootvader eigenlijk hetzelfde lot onderging. Al werd het nooit zo benoemd in de familie.
Veiling
Hoe ging dat nou precies in zijn werk. Lanting is in de geschiedenis van de uitbestedingen gedoken. Na de Middeleeuwen kwam de opvang van wezen, weduwen, en andere zwakke personen steeds minder bij de rechtstreekse familie terecht. De toenmalige overheid, niet te vergelijken met de huidige, kwam met een nieuw systeem. Er kwam een soort veiling, bij voorkeur in het voorjaar, dan konden extra handen in de landbouw goed gebruikt worden. Daar werden deze afhankelijke personen tegen een zo laag mogelijk bedrag aan een ‘vreemde’ familie toevertrouwd. Soms voor maar 25 gulden per jaar. Net genoeg om ze te voeden en te kleden. Daar stond tegenover dat er gewerkt moest worden, hard gewerkt. Zeven dagen per week, weinig vrij, karig eten en weinig liefde. Niet altijd was het kommer en kwel. Er waren gezinnen waar het goed toeven was, waar een band voor het leven werd gesmeed. Maar dat was niet de regel, het waren de uitzonderingen.
Stem
Lanting heeft met zijn boek een hele reeks bestedelingen een stem gegeven. Of ze nu in de zeventiende of in de twintigste eeuw leefden, hij kwam ze op het spoor, verdiepte zich in hun geschiedenis en haalde ze uit de vergetelheid. In zijn reflectie vergelijkt hij de vormen van opvang van toen met die in de huidige tijd: “Mensen kunnen door ziekte, ontslag of pech in een moeilijke situatie belanden… Vroeger waren er weeshuizen en armenfondsen, nu zijn er voedselbanken en schuldhulpsanering. De vormen veranderen, maar het probleem blijft hetzelfde”.
Wie van sociale geschiedenis houdt, zou dit boek zeker moeten lezen. Het is
onder dezelfde noemer te scharen als ‘Het pauperparadijs’ van Suzanna Jansen en
‘De kinderkolonie’(over de wezen van Veenhuizen) van Will Schackmann. Het boek
eindigt met een zeer uitgebreide lijst van bronnen: boeken, proefschriften,
online bronnen, tijdschrift- en krantenartikelen en bezochte archieven.


















